DROMERIJEN VAN EEN OUWE RAKKER
Sotternie
18-06-2009 - Benno Barnard - knack
We zitten op een terras op de boulevard Saint-Germain, de dichter van De lenige liefde en ik. Hebben het over eerste pennenroerselen en hoe ze ook in druk te krijgen. Hebben het over meesters, hij over Auden en ik over Sartre. Ik wijs in het Café de Flore de plaats aan waar hij schreef. Wil nog iets zeggen, word overstemd door kreten van studenten en meejoelende scholieren. Zien wij, halfhartige leraren, onze pupillen daar niet voorbijtrekken, scanderend dat hun tijd er een van nee is, nee aan alle meesters?
De klassieke cultuur, de Bijbel, de humanisten, de Verlichting, de negentiende eeuw, Apollinaire, Kafka en Auden hebben mijn wereldbeeld gevormd, maar de bijbehorende wereld bestaat al bijna niet meer.
Waarschijnlijk betekent deze gedachte gewoon dat ik niet meer mee kan met mijn tijd, die dan ook niet meer aanvoelt als mijn tijd. Een jongere collega verweet me dat ik niet meer helder kon denken als ik voortdurend de doodsklokken over het Avondland hoorde beieren.
Ik ben dus een ouwe zeur aan het worden, de noodzakelijke conservatief van de jeugd, de steen om hun messen aan te slijpen.
En toch heb ik gelijk. We maken wel degelijk een reusachtige historische omwenteling mee. Het hele humanistische beschavingsmodel dat de periode 1500-2000 beslaat, dat zich dus van Gutenberg tot Google uitstrekt, is aan het desintegreren. Onze hersens worden aangesloten op onbegrijpelijke machines; en ondertussen zijn we ooggetuigen van de grootste demografische en religieuze verschuiving in eeuwen. De moderniteit heeft ons gebaard en nu dreigt haar lijk ons te verpletteren - dat is de geestelijke, politieke en artistieke toestand van het westen. En over onze schouder werpen we een laatste blik op de oude burgerlijke cultuur, toen iedereen nog piano speelde en patriottische gevoelens zacht glansden bij een feeërieke verlichting.
Verveemding van het contemporaine versterkt de behoefte aan vriendschap met mensen die tijdens de conversatie niet voortdurend voetnoten nodig hebben, mensen met wie je een wereld deelt, een woud van woorden en symbolen. Vaak zijn dat leeftijdgenoten, maar in mijn geval behoren er ook enkele oudgedienden van 1968 toe, geen anciens combattants maar wel mensen die in politieke zin door de gebeurtenissen in mei van dat jaar zijn aangeraakt.
Herman de Coninck was zo iemand, al kon ik toen hij in 1997 stierf nog niet voorzien hoe vreemd de wereld mij een decennium later zou voorkomen. Geert van Istendael is ook zo iemand - we treden geregeld samen naar buiten en onlangs vergeleek iemand ons nog met Jansen en Janssen uit de avonturen van Kuifje.
Stefaan van den Bremt is een derde achtenzestiger. Ik heb hem pas de voorbije jaren beter leren kennen. Wat wij delen, en wat ik minder met van Istendael deel en helemaal niet met De Coninck deelde, is onze agnostische verknochtheid aan de westerse religieuze traditie. In Van den Bremts nieuwe bundel Voegwerk staat het gedicht 'Schola cantorum', waarin de ik droomt dat hij weer als koorknaap op het doksaal staat te zingen. Aan het huidige geslacht zul je moeten uitleggen wat een doksaal is, wat schola cantorum, wat de katholieke kerk en nu we toch bezig zijn: wat is dat christendom ook alweer? Allemaal woorden uit het bewuste woud.
Terug naar Parijs, het terras van café de Flore. Het klopt dat die twee Vlaamse dichters allebei in het onderwijs stonden, al zou dat voor De Coninck niet lang meer duren. Het zijn 'halfhartige leraren', want ze waren niet zo heel veel ouder dan hun leerlingen en ze sympathiseerden nogal met de om hen heen gistende revolutionaire ideeën. Van den Bremt ontplooide later zelfs een halfhartig politiek activisme, dat hij nog geruime tijd in de gevangenis zou zitten betreuren.
Ik ben net zoveel jonger dat ik van dat hele mei '68 vooral de negatieve kanten zie, de verdachtmaking van bepaalde burgerlijke waarden bijvoorbeeld, maar vooral de verwoesting van het onderwijs. Ons onderwijs is ten onder gegaan aan de misvatting dat kennis ten dienste van de kinderen staat, terwijl onderwijs op het omgekeerde principe moet berusten: kinderen dienen als vaten om oude kennis te bevatten, die zonder hen zou uitsterven.
Het tegenwoordige onderwijs is een vorm van georganiseerd geheugenverlies. Het gevolg is een reusachtige generatiekloof, veel breder dan de natuurlijke gaping tussen ouders en kinderen. Het is alsof we zelf dat woud hebben omgekapt.
Heel terecht noemt Van den Bremt de revolutie een 'sotternie', nog zo'n woord. Wat een ironische gedachte dat de revolutie van mei '68 - waarbij de politieagenten de enige arbeiderskinderen waren - heeft gemaakt dat de gedichten in Voegwerk voor jongere lezers op veel plaatsen onbegrijpelijk zijn! Want hoe moet je bijvoorbeeld 'dat rode daar, dat rode' interpreteren als je het verhaal van Jakob en Ezau niet kent? Of 'de oude stad met de teruglopende wijzers' als je nooit hebt gehoord van de achteruitlopende klok in het Praagse getto?
Het geheugen was voor de oude Grieken niet zonder reden de moeder van de Muzen.
________________________________________
Commentaar
Deze zoon des dominees heeft mij al dikwijls, niet altijd, maar toch bij herhaling, geërgerd. Al is ‘ergernis’ dan een al te gemakkelijk woord voor dat wat hij oproept. Ik kan mij van het vermoeden niet ontdoen dat hij vaak bewust de ergernis, om de ergernis, opzoekt. Maar nu wil hem, ter wille van die paar lijntjes in dit stukje, gaarne vergeven. Zijn slotzin over de Oude Grieken die het geheugen (der mensen?) niet zonder reden de moeder der Muzen zouden geheten hebben, is adem benemend mooi. Het spijt mij danig dat deze gedachte niet van mij komt! Maar het vat kan niet geven wat het niet inhoudt…..
Dat bewijst juist het verschil tussen Meesters en leerlingen….
Dat de Heer Benno Barnard (*) het nog altijd spijtig vindt dat Herman De Coninck hem (en ons) voortijdig ontvallen is, kan ik dit gevoel met hem delen. De dichter Herman De Coninck is op straat, na een slemppartij (ja toch?) zo maar op het voetpad, tussen vrouw en vrienden, ineens stokkedood gevallen, op het toppunt van zijn roem, en vòòr hij Hugo Claus, die andere grootmeester waar de Heer Barbard (uit broodnijd?) liever zedig over zwijgt (groot gelijk!) moest meemaken die er vrijwillig maar met veel tam-tam uitstapte. Ja, Herman De Coninck is ons ontvallen, maar hij heeft ons toch zijn droevige weduwe nagelaten, de aanminnige linkse teef Kristien Hemmerechts! Uit haar losse flodders die ik onder ogen kreeg (zou dat mens echt gedrukt worden?) kan ik onmogelijk begrijpen dat ze zelfs, na verloop van tijd, aan een vervang-husband is geraakt! Die man verdient een medaille voor moed en zelfopoffering!
De andere Grootheden (Godheden?) die de Meester vernoemt, zijn mij grotendeels onbekend. Buiten de evidente Jean Paul Sartre, van wie ik in mijn humaniora-jaren nog, tot vervelens toe, een boek(je) heb moeten lezen. Verplicht, weet wel! Dat ding heette toevallig maar goed gekozen ‘La Nausée’ (De Kots) en het is slechts door mij in die periode te concentreren op Paul Van Ostayen dat ik dat existentialistisch gedoe heb kunnen overleven. Dat heet dan de grote waanzin genezen met de kleine waanzin, naar analogie met een bepaalde strekking in de geneeskunde, homeopathie geheten, die werkt met verdund water (!) aangevuld met daar in een honderdste of een duizendste deel van de betrokken ziektekiemen. Een mens moet er maar opkomen om fortuin te maken! De schots en scheef gedraaide verzen van Van Ostayen spoken zelfs nu, na zoveel jaren, nog altijd in mijn koortsdromen. Ja, die Sartre kan best mooie dingen geschreven hebben. Ze liggen mij niet. Net zomin als die kunstenaar (hoe heet die ook weer, als ’t niet Fabre is, die zelfs in Parijs in het Louvre hangt. Neen niet de kunstenaar zelf hangt daar, maar werken van hem), wel die ‘kunstenaar’ slaagt er in om zijn strontmachine, ja ja echte biologisch gegarandeerd ononderbroken productie, zuiver van samenstelling, geur, kleur en uitzicht, een ‘cloacca’-machine verkocht te krijgen. Voor ‘big money’ dan nog! Voor een ‘cloacc maxima’ (hoofdriooll) hadden de Romeinen 3000 jaar gelden al de nodige wijsheid voorhanden, en wonder boven wonder, dat Romeins ‘kunstwerk’ is actief, tot in onze dagen! Deze hoofdriool, die uitmondt in de Tiber, is yrijelijk maar tegen betaling op bezoekdagen te bezoeken in Rome. Dat natuurlijk voor liefhebbers van rioolachtige kunstwerken, Wilt U weten hoe ik achteraf van Paul Van Ostayen bevrijd geraakte? Door een echte Grootmeester in de Letteren te lezen en te herlezen: Guido Gezelle!
Kijk, het kan zijn dat Meester Benno Barnard vroeg of laat nog die zelfde richting uitgaat. Ik wens het hem van harte : het zal zijn ziel verlichten!
De overige Apostelen die hij vernoemt, zullen mijn belangstelling moeten verdienen via Internet, want ik wil er zelfs geen cent, zelfs geen Eurocent aan vuil maken, tot ik weet welk vlees er in de kuip zit. Auden? Apollinaire? Stefaan Van den Bremt? Kan dat wel gezond zijn!? In ieder geval vertonen de namen van die Heren (Dames?) niet veel kenmerken van Griekse Muzen… Hoogstens van spuitwater..
Ik moet het nog hebben over Kafka, (was die nu Jood, Duitser of Tjechieër? Hij heeft het nooit goed gesnopen), die andere sukkelaar, die nooit met niets noch met niemand content was, en daardoor sedertdien graag geziene ideoloog van zijn vele volgelingen geworden is, die, moest hij het beleefd hebben, nog geen klein beetje verwonderd zou zijn dat zijn gewauwel het epithon ‘Kunst’ zou krijgen. Ik denk dat hij, vooraleer op relatief jonge leeftijd te overlijden aan TBC, een beetje te lang in weer en wind heeft staan wachten op Godot (van een zekere Samuel Becket, geschreven in 1952, ik heb het opgezocht), Het moet hem jaren tevoren in zijn hoofd geslagen zijn. Dat was ik ook, toen ik, wegens ziekte, in mijn jongelingsjaren even uitgeteld was en toen uit verveling en, met tegenzin vanwege mijn brave Moeder, een beetje Kafka las. Veel verder dan een paar bladzijden ben ik nooit geraakt. Later gebeurde dat nooit mee, noch dat uitgeteld zijn door ziekte, noch het speuren naar Kafka. Mijn beroepsloopbaan bood mij Kafkiaanse toestanden in overvloed aan!
Globaal moet ik de Heer Benno Barnard gelukkig prijzen dat zijn geestelijke gezondheid niet àl te erg beschadigd is, iets wat ongetwijfeld te danken is aan zijn belangstelling voor de Bijbel, het Humanisme, de Verlichting. Ik zou hem aanraden lang, zeer lang en nog langduriger, een schilderij van Monet, of de Vlaamse Primitieven, of de Hollandse Meesters, te bezien en in hem op te nemen. Of nog beter: een paar uurtjes per dag in een stadspark te gaan zitten, in plaats van op een Parijs’ frivool stadsterrasje, maar dan op een plekje van waaruit hij geen enkel gebouw meer kan ontwaren. Na verloop van tijd zal hij wel zijn wereld van vroeger terug vinden. Die is namelijk nooit weg geweest….
Opteert de Meester, gezien zijn kostbare tijd, voor een kordatere aanpak, dan moet ik aanraden te voorzien in een werkvakantie op de boerenbuiten. Bij een boer. Een echte agrariër. Daar zal hij terug begrijpen, dat de vreugde van het eten van de salie er in bestaat te eten van de salie die men zelf gezaaid en geoogst heeft. Dat heb ik geleerd van Multatuli (ook een Hollander, die van Adinda’s vader en zijn buffel). Maar daar weet de Meester veel beter over mee te spreken, dan ik,
André Baert.
(*) Werd er nog altijd niets gedaan om die oer-Hollandse naam te vermenselijken? Desnoods met terugwerkende kracht en hulp van zijn vader, en, indien aflijvig, zijn moeder? Ik zou aanraden post-mortem een losse flodder te ensceneren, waarbij zijn biologische echte vader dan bijvoorbeeld Janssens of Peeters zou heten. Dat hangt er van af hoe de toenmalige dominees-helper heette…En als de Burgerlijke Stand dan toch moet worden lastiggevallen, doe dan ook iets aan die voornaam. Maak van die Benno een echte Bernard, om maar iets te zeggen. Staat mooi toch, niet? Bernard Peeters! Dat is pas klasse! En modern! En verduveld, God-nog-aan-toe, Seses Marrante! het is nog goed voor de PR en de omzet van Knack meteen! Ook een beetje werken aan dat Hollands accent, en klaar is Kees, asjemenou! De Nederlanden zijn weer een beetje meer herenigd!
Pssst
Ter attentie van Knack. Kunnen de Heren niet voorzien in een soort vergoeding, als tegenprestatie voor al de goede reclame die hier voor hen gemaakt wordt? Het moet niet noodzakelijkerwijze een gratis jaarabonnement te zijn. Het mag ook de tegenwaarde, uitgedrukt in Euro zijn. Desgewenst bezorg ik natuurlijk mijn bankgegevens. Bede, beste Knackmensen, deze vergoeding buiten Uw boekhouding te houden. Anders krijg ik gewis last omdat ik als gepensioneerde, teveel zou bijverdiend hebben dit jaar. De tweede reden is, dat mijn eega geen weet hoeft te hebben van gezegde bankrekening. Want daar spaar ik, om ter gelegener tijd de bloemetjes te kunnen buien zetten, zonder al te veel huiselijke inkijk. Ik pas wel op!
Ter attentie van de Heer Benno Barnard. Het kan toch nooit zijn bedoeling zijn, een omgekeerde geldstroom te willen op gang brengen, in verband met auteursrechten en zo, dan deze hierboven gesuggereerd? Ik dacht dat iedereen die iets op het Internet zwierde, dat juist deed om naambekendheid te geniete, en niet om geld te verdienen. Denk aan mijn beeldspraak van enkele dagen terug, over dat weggeworpen leeg blikje Cola op de openbare weg. Enfin, met een Hollander weet men nooit! Maar om U te overtuigen van mijn goede bedoelingen, wil ik U (gratis) een prachtig idee aan de hand doen, om zoals Jos Gheysen, of Louis Verbeeck, toch munt te slaan uit Uw geestelijke zweetdruppels. U publiceert Uw ‘collums’ in boekvorm, met achter ieder stukje de ingezonden reactie van Uw lezers. Die heeft U toch, veronderstel ik! Ik doe zelfs, zowel in eigen naam als in naam van mijn erfgenamen gratis afstand van mij auteursrechten. Op voorwaarde echter, dat U als auteur alleen de initialen vermeldt. Ik heb namelijk nog een eer als familievader hoog te houden!
Posts tonen met het label BENNO BARNARD. Alle posts tonen
Posts tonen met het label BENNO BARNARD. Alle posts tonen
zondag 21 juni 2009
maandag 19 januari 2009
ZOON VAN DOMINEE KIJKT SCHEF
ZOON VAN DOMINEE KIJKT SCHEEF
De Markiezen
Ze spreken van de dood zoals jij van een fles
Ze staren naar de zee zoals jij naar een bres
De vrouw is hier wellustig in zonlicht dat ze ducht
Terwijl het winter is onder een zomerlucht
Het regent hemelsbreed het slaat me waar ik ben
Er is een oud wit paard en dat neuriet Gauguin
En de ben de precieze tijd aan het verliezen
O Markiezen
De vuren laaien op en nog hoger de stilte
Die aldoor stiller wordt en de maan brengt de kilte
En de zee wordt verscheurd en weer tenietgedaan
Door rotspartijen met een radeloze naam
En verder weg een hond en liederen vol weemoed
Er horen dansen bij waar iedereen aan meedoet
En er blazen exquise winden die eeuwig bliezen
O Markiezen
De lach is in het lijf het woord is in de blik
Het lijf heeft geen verblijf de toekomst heeft geen ik
Soms komt er een kokospalm en schrijft een liefdeslied
De zusters luisteren niet maar het is als een psalm
En de prauwen gaan heen en de prauwen gaan weer
Ik vertel meer en meer het verhaal van iedereen
Denk je dat ik kan kiezen om nooit iets te verliezen
O Markiezen
Dit was het lied/gedicht (Jacques Brel Ne me quitte pas), vrij vertaald trouwens uit het Frans, waarop gefocust wordt…..
Quotering mijnerzijds: (voor de tekst), van zang heb ik geen benul en had liever gehad dat die knul zweeg: 4/10. Inspiratie reikt maar 6 strofen ver. Na 6-7 whisky’s en een half pak sigaretten zou het kunnen dat mijn oordeel vanzelf wijzigt. Al naar gelang het gezelschap….
Dat Bennootje, tot zijn grote spijt, ook Neerlands bloed in d’adeen heeft, helpt ons, Vlamingen, geen moer vooruit.
Met dergelijk talent uit de hoogte neerkijken op zijn volksgenoten, de Vlamingen, kan allen door een verwende Brusselse Ket en een geborneerd kleinzielig klote keeskopie. Het zal hem wel niet kunnen schelen, maar mijn vriend zal hij nooit zijn. Wat niet belt dat ik hem gaarne lees. Ja, ook in de ‘Nack’, als die via Iskander in mijn E-postbus komt. En ik heb graag dat U dat ook weet: Benno Barnard is een groot (en zwaar) schrijver.
Dan denk ik telkens aan ene Gerard Reve, wiens laat-literaire prestaties gerust naast die van L.P. Boon met zijn vulgaire Fenomenale Feminateek mogen gelegd worden. Die Reve moest uiteindelijk ook uitwijken naar Vlaanderen (Machelen a/d Leie) waar hij buurman werd van de schilder Roger Raveel. Benno Barnard leeft in Amerika…
Wat is dat toch met die grote kunstenaars, die elders dan thuis willen leven? Hun blikken, hun belangstelling of hun verlangen richten zich als magneten naar Vlaanderen…..Scheef kijken, zegt men in Holland….Jaloers zijn, zeggen wij in Vlaanderen……
De Markiezen
15-01-2009 - Benno Barnard - knack
In zijn essay Was Jacques Brel een Vlaming? stelt Geert van Istendael dat Jacques Brel een Franstalige Belg uit Schaarbeek was, en geen Vlaming. Maar Franstalige Belgen uit Schaarbeek en de rest van Brussel willen weleens van Vlaamse afkomst zijn, kinderen van het ras dat Emile Verhaeren in 1902 als 'tenace' omschreef, wat taai betekent (ik vertaal het maar ten behoeve van jongeren die als slachtoffers van de kapitalistische taalopvatting het Frans irrelevant vinden, zoals iedere taal die de euvele moed heeft geen Engels te zijn).
In de taxonomie van het Belgendom zijn de Franstalige Vlamingen heden ten dage een met uitsterven bedreigde soort, waarvoor bescherming door het Wereldnatuurfonds gerechtvaardigd is. En dan bedoel ik niet de producten van het ancien régime die rondom Brussel de lokale negerstammen met een adembenemende koloniale minachting tegemoettreden - nee, ik heb het over de zachtaardige restanten van het oude, polyglotte Europa, mensen die leven in een voortdurende spanning tussen verschillende talen, zoals dat in Bialystok, Czernowitz, Praag, Boedapest, Transsylvanië, Vilnius en nog honderden andere steden en landstreken het geval was. Die grote gonzende realiteit was vaak onrechtvaardig, maar de voortdurende wrijving tussen talen, tradities en sociale lagen heeft wel veel interessante literatuur opgeleverd. Bij ons hebben Vlaamse schrijvers in het Frans hun aparte, nog altijd niet geheel verdwenen wereld vastgelegd. En het is niet onzinnig te beweren dat Brel tot die schrijvers behoorde, ook al was hij dan een Brusselaar van Vlaamse afkomst, wat niet volledig hetzelfde is als een Franstalige Vlaming (ik wring mij in velerlei kronkels om mijn vriend Van Istendael niet te erg tegen te spreken).
In de tijd van Verhaeren ontstond er een beeld van Vlaanderen dat vooral diende om de Franstaligen te onderscheiden van de inwoners van de Franse republiek. Zij waren anders, want zij hadden (of waren) Vlamingen. Dat mythische volkje was ooit rijk geweest, in de Bourgondische tijd, en had toen grote schilders, musici en schrijvers voortgebracht, de gebroeders Van Eyck, de polyfonisten, Jan van Ruusbroec... Deze laatste - in Frankrijk bekend door de vertalingen van weer een andere Franstalige Vlaming, Maurice Maeterlinck - was weliswaar een Brabander, maar met Vlamingen werden ook Brabanders en de overige 'Vlaams' schrapende Belgen bedoeld. Het is in flamingantische kring geen populair verhaal, maar 'Vlaanderen' in de moderne zin van het woord, als cultuurhistorische eenheid, is een schepping van de Franstalige bourgeoisie.
Ach, dat goeie ouwe Bourgondië! Maar zo omstreeks 1900 waren de meeste niet-Franstalige Vlamingen straatarm - gebukt raapten ze patatten van het veld, in een treffende gelijkenis met het werk van vader Brueghel; voor het schilderen van madonna's hadden ze geen tijd en zelden hoorde men ze nog een polyfoon lied aanheffen. Maar tegenover deze armoede stond ook schoonheid, vreugde, ja, wellust. In de lucht van hun in de tijd versteende, klein gebleven steden, waar boven middeleeuwse kanalen guirlandes van mist dreven, tinkelde de beiaard; hun maagden voerden rustieke reidansen bij de oogst uit, en de meer ondeugende exemplaren lokten bleke Franstalige jongelingen het rijpe koren in (het laatste beeld komt van Van Istendael, die er nog steeds spijt van heeft dat dit hem nooit is overkomen).
Sinds Verhaeren - die zich overigens zeer wel bewust was van zoiets hinderlijks als Vlaams fabrieksproletariaat - is dit beeld, terwijl het steeds anachronistischer werd, voor zover het al ooit aan enige realiteit heeft beantwoord, door de Franstalige bourgeoisie hardnekkig in stand gehouden. Tot op vandaag bestaat het. In 2003 vroeg het serieuze tijdschrift Marginales aan een aantal Franstalige Belgische intellectuelen hoe Vlaanderen er voor hen uitzag - haast allemaal schetsten ze een landstreek bevolkt door toegewijde beiaardiers, schalkse boerendochters en nurkse landbouwers van de pruimtabak wegspuwende soort. Zelfs het moderne racisme bevestigt dat beeld, want in de grote stad veranderen die achterdochtige boeren met hun modderige wereldbeeld als vanzelf in racisten, onontvankelijk voor de Franse Verlichting. Het is werkelijk haast even karikaturaal als ik het hier weergeef, en van een jaloers makende blindheid voor de lelijkheid van het huidige, van welvaart walmende Vlaanderen. Alles bij elkaar drukt het waarschijnlijk het sentiment uit dat we iets zijn kwijtgeraakt, zelfs als we het in deze vorm nooit bezeten hebben.
De grootste vertolker van dat sentiment was en is Jacques Brel, in klassiekers als 'Marieke' en 'Le plat pays'. Hij is zelfs dermate groot en invloedrijk dat veel Vlamingen in de wekere lagen van hun bewustzijn een soortgelijk beeld van Vlaanderen zijn gaan koesteren, terwijl je minstens vijftig moet zijn om je nog vaag iets te herinneren van de kwetsbare schoonheid die het vlakke land inderdaad bezeten heeft.
*********
Psssst Laat het duidelijk zijn; Benno Barnard is in Knack een pure 100 karaats broodschrijver. Wat in het geval van de ‘Nack’ alles uitlegt. Privé zal hij wel een andere en lievere jongen zijn….
De Markiezen
Ze spreken van de dood zoals jij van een fles
Ze staren naar de zee zoals jij naar een bres
De vrouw is hier wellustig in zonlicht dat ze ducht
Terwijl het winter is onder een zomerlucht
Het regent hemelsbreed het slaat me waar ik ben
Er is een oud wit paard en dat neuriet Gauguin
En de ben de precieze tijd aan het verliezen
O Markiezen
De vuren laaien op en nog hoger de stilte
Die aldoor stiller wordt en de maan brengt de kilte
En de zee wordt verscheurd en weer tenietgedaan
Door rotspartijen met een radeloze naam
En verder weg een hond en liederen vol weemoed
Er horen dansen bij waar iedereen aan meedoet
En er blazen exquise winden die eeuwig bliezen
O Markiezen
De lach is in het lijf het woord is in de blik
Het lijf heeft geen verblijf de toekomst heeft geen ik
Soms komt er een kokospalm en schrijft een liefdeslied
De zusters luisteren niet maar het is als een psalm
En de prauwen gaan heen en de prauwen gaan weer
Ik vertel meer en meer het verhaal van iedereen
Denk je dat ik kan kiezen om nooit iets te verliezen
O Markiezen
Dit was het lied/gedicht (Jacques Brel Ne me quitte pas), vrij vertaald trouwens uit het Frans, waarop gefocust wordt…..
Quotering mijnerzijds: (voor de tekst), van zang heb ik geen benul en had liever gehad dat die knul zweeg: 4/10. Inspiratie reikt maar 6 strofen ver. Na 6-7 whisky’s en een half pak sigaretten zou het kunnen dat mijn oordeel vanzelf wijzigt. Al naar gelang het gezelschap….
Dat Bennootje, tot zijn grote spijt, ook Neerlands bloed in d’adeen heeft, helpt ons, Vlamingen, geen moer vooruit.
Met dergelijk talent uit de hoogte neerkijken op zijn volksgenoten, de Vlamingen, kan allen door een verwende Brusselse Ket en een geborneerd kleinzielig klote keeskopie. Het zal hem wel niet kunnen schelen, maar mijn vriend zal hij nooit zijn. Wat niet belt dat ik hem gaarne lees. Ja, ook in de ‘Nack’, als die via Iskander in mijn E-postbus komt. En ik heb graag dat U dat ook weet: Benno Barnard is een groot (en zwaar) schrijver.
Dan denk ik telkens aan ene Gerard Reve, wiens laat-literaire prestaties gerust naast die van L.P. Boon met zijn vulgaire Fenomenale Feminateek mogen gelegd worden. Die Reve moest uiteindelijk ook uitwijken naar Vlaanderen (Machelen a/d Leie) waar hij buurman werd van de schilder Roger Raveel. Benno Barnard leeft in Amerika…
Wat is dat toch met die grote kunstenaars, die elders dan thuis willen leven? Hun blikken, hun belangstelling of hun verlangen richten zich als magneten naar Vlaanderen…..Scheef kijken, zegt men in Holland….Jaloers zijn, zeggen wij in Vlaanderen……
De Markiezen
15-01-2009 - Benno Barnard - knack
In zijn essay Was Jacques Brel een Vlaming? stelt Geert van Istendael dat Jacques Brel een Franstalige Belg uit Schaarbeek was, en geen Vlaming. Maar Franstalige Belgen uit Schaarbeek en de rest van Brussel willen weleens van Vlaamse afkomst zijn, kinderen van het ras dat Emile Verhaeren in 1902 als 'tenace' omschreef, wat taai betekent (ik vertaal het maar ten behoeve van jongeren die als slachtoffers van de kapitalistische taalopvatting het Frans irrelevant vinden, zoals iedere taal die de euvele moed heeft geen Engels te zijn).
In de taxonomie van het Belgendom zijn de Franstalige Vlamingen heden ten dage een met uitsterven bedreigde soort, waarvoor bescherming door het Wereldnatuurfonds gerechtvaardigd is. En dan bedoel ik niet de producten van het ancien régime die rondom Brussel de lokale negerstammen met een adembenemende koloniale minachting tegemoettreden - nee, ik heb het over de zachtaardige restanten van het oude, polyglotte Europa, mensen die leven in een voortdurende spanning tussen verschillende talen, zoals dat in Bialystok, Czernowitz, Praag, Boedapest, Transsylvanië, Vilnius en nog honderden andere steden en landstreken het geval was. Die grote gonzende realiteit was vaak onrechtvaardig, maar de voortdurende wrijving tussen talen, tradities en sociale lagen heeft wel veel interessante literatuur opgeleverd. Bij ons hebben Vlaamse schrijvers in het Frans hun aparte, nog altijd niet geheel verdwenen wereld vastgelegd. En het is niet onzinnig te beweren dat Brel tot die schrijvers behoorde, ook al was hij dan een Brusselaar van Vlaamse afkomst, wat niet volledig hetzelfde is als een Franstalige Vlaming (ik wring mij in velerlei kronkels om mijn vriend Van Istendael niet te erg tegen te spreken).
In de tijd van Verhaeren ontstond er een beeld van Vlaanderen dat vooral diende om de Franstaligen te onderscheiden van de inwoners van de Franse republiek. Zij waren anders, want zij hadden (of waren) Vlamingen. Dat mythische volkje was ooit rijk geweest, in de Bourgondische tijd, en had toen grote schilders, musici en schrijvers voortgebracht, de gebroeders Van Eyck, de polyfonisten, Jan van Ruusbroec... Deze laatste - in Frankrijk bekend door de vertalingen van weer een andere Franstalige Vlaming, Maurice Maeterlinck - was weliswaar een Brabander, maar met Vlamingen werden ook Brabanders en de overige 'Vlaams' schrapende Belgen bedoeld. Het is in flamingantische kring geen populair verhaal, maar 'Vlaanderen' in de moderne zin van het woord, als cultuurhistorische eenheid, is een schepping van de Franstalige bourgeoisie.
Ach, dat goeie ouwe Bourgondië! Maar zo omstreeks 1900 waren de meeste niet-Franstalige Vlamingen straatarm - gebukt raapten ze patatten van het veld, in een treffende gelijkenis met het werk van vader Brueghel; voor het schilderen van madonna's hadden ze geen tijd en zelden hoorde men ze nog een polyfoon lied aanheffen. Maar tegenover deze armoede stond ook schoonheid, vreugde, ja, wellust. In de lucht van hun in de tijd versteende, klein gebleven steden, waar boven middeleeuwse kanalen guirlandes van mist dreven, tinkelde de beiaard; hun maagden voerden rustieke reidansen bij de oogst uit, en de meer ondeugende exemplaren lokten bleke Franstalige jongelingen het rijpe koren in (het laatste beeld komt van Van Istendael, die er nog steeds spijt van heeft dat dit hem nooit is overkomen).
Sinds Verhaeren - die zich overigens zeer wel bewust was van zoiets hinderlijks als Vlaams fabrieksproletariaat - is dit beeld, terwijl het steeds anachronistischer werd, voor zover het al ooit aan enige realiteit heeft beantwoord, door de Franstalige bourgeoisie hardnekkig in stand gehouden. Tot op vandaag bestaat het. In 2003 vroeg het serieuze tijdschrift Marginales aan een aantal Franstalige Belgische intellectuelen hoe Vlaanderen er voor hen uitzag - haast allemaal schetsten ze een landstreek bevolkt door toegewijde beiaardiers, schalkse boerendochters en nurkse landbouwers van de pruimtabak wegspuwende soort. Zelfs het moderne racisme bevestigt dat beeld, want in de grote stad veranderen die achterdochtige boeren met hun modderige wereldbeeld als vanzelf in racisten, onontvankelijk voor de Franse Verlichting. Het is werkelijk haast even karikaturaal als ik het hier weergeef, en van een jaloers makende blindheid voor de lelijkheid van het huidige, van welvaart walmende Vlaanderen. Alles bij elkaar drukt het waarschijnlijk het sentiment uit dat we iets zijn kwijtgeraakt, zelfs als we het in deze vorm nooit bezeten hebben.
De grootste vertolker van dat sentiment was en is Jacques Brel, in klassiekers als 'Marieke' en 'Le plat pays'. Hij is zelfs dermate groot en invloedrijk dat veel Vlamingen in de wekere lagen van hun bewustzijn een soortgelijk beeld van Vlaanderen zijn gaan koesteren, terwijl je minstens vijftig moet zijn om je nog vaag iets te herinneren van de kwetsbare schoonheid die het vlakke land inderdaad bezeten heeft.
*********
Psssst Laat het duidelijk zijn; Benno Barnard is in Knack een pure 100 karaats broodschrijver. Wat in het geval van de ‘Nack’ alles uitlegt. Privé zal hij wel een andere en lievere jongen zijn….
Abonneren op:
Posts (Atom)