vrijdag 22 februari 2013

1229 - AHASVERUS DE WANDELENDE JOOD EN DE VERZWONDEN ALLOCHTOON


.

1229 - AHASVERUS DE WANDELENDE JOOD EN DE VERZWONDEN ALLOCHTOON

 

***

 

***

 
Ahasverus, de wandelende Jood, herinnert U zich hem nog? Is o.a. verhaald in een meesterwerk van August Vermeylen. Wel,  die vroeg-middeleeuwe roman-figuur  is nu, dank zij De Morgen, vervangen door de in het niet verzwonden Allochtoon.
Allochtonië is zoals de wolk in de Wonderlamp van Aladin : die verborgen Geest komt op het gewenste moment al groetend uit de teut van de lamp en vervult al de wenen van de kleine Aladin. Aladin is, zoals U weet, een Muzelmannetje met opkrullende punt-sloeffen en dikke tulband, di eeuwen geleefd heeft zonder te weten, dat de Geest uit de Fles voor hem de wereld aan zijn voeten zou leggen.
***
En nu is het zover. Dank zij De Morgen en Daniël uit Gent. Zeker weten : die mensen zullen ooit aan de voeten van de Kalief op een dik kussen gezeten, mogen meegenieten van de 72 maagden die zich bekommeren om de zieltjes van de afgestorven Muzels. Het is, hoeft het gezegd, een schouwspel KNT, waarbij deze letters niet staan voor Koninklijk Gents Theater, maar voor Kinderen Niet Toegelaten.
O ja, waarom ik Ahasverus, de Wandelende Jood hierbij betrokken heb? Wel, omdat die even onbestaande is als Allochtone : men spreekt er over, men schrijft er over, maar niemand heeft die waanbeelden ooit gezien. Wat wel zichtbaar is, en meer dan ons lief is, zijn de bewoners van dat niet-bestaand land. Het zijn de geesten uit de fles, die aan alle alhier levende Aladins, een hemel op aarde bezorgen. De onze….

 

***

Ter zake :

Politieke correctheid en taalepuratie: het mysterie van de verdwenen allochtoon

21-02-2013 - Johan Sanctorum - Visionair België

Overgenomen bij Iskander.

***

Tot een van de bloedigste regimes sinds de tweede wereldoorlog kan dat van de Rode Khmer gerekend worden, de militaire tak van de Communistische Partij van Democratisch Kampuchea (nu Cambodja). Hun bezieler en leider, Pol Pot, had het plan opgevat om de stedelijke beschaving, en eigenlijk de beschaving tout court, af te schaffen via massale deportaties naar het platteland. Men schat dat tussen 1975 en 1979 2 à 3 miljoen Cambodjanen (op een totaal van 7 miljoen) zijn omgekomen.

Behalve in wreedheid overtrof Pol Pot zijn leermeesters Stalin en Mao ook inzake de totale beslaglegging op het sociale verkeer en het privé-leven. Slapen, ontlasting, eten en drinken: het moest allemaal collectief gebeuren. Alles wat naar cultuur, expressie en individualiteit verwees, werd verboden, op straffe van executie: eigendom (uiteraard), naast kleding en uiting van persoonlijke smaak (iedereen liep in het zwart), boeken (behalve dan de reguliere communistische literatuur), het dragen van een bril (te intellectueel!), kennis van een vreemde taal (gevaar voor imperialistische smetten), maar ook vriendschappen en familiale banden die konden leiden tot groepsvorming buiten de cellulaire staatsstructuur.

 

Opmerkelijk is ook het belang dat de Khmers in hun ijver hechtten aan een juist taalgebruik. Daartoe moest er grote schoonmaak gehouden worden, niet alleen in de politieke terminologie. Woorden als vader of moeder waren taboe wegens niet conform de communistische gemeenschapszin, naast een hele resem andere vervuilde woorden uit de omgangstaal. Deze opkuis vereenvoudigde het leven aanzienlijk, en zou leiden tot de ideale maatschappij, zo meenden de Khmers oprecht: hun insteek was, hoe schandalig we dat nu ook vinden, idealistisch, op het maakbaarheidsprincipe gebaseerd, en, tja, in die zin zelfs politiek-correct.

Uiteindelijk werden de Khmers verjaagd door de Vietnamezen, die hen ook eerst in het zadel hadden geholpen. Waarna de indoctrinatie gewoon doorging.

De verhouding tussen politieke macht en taal-controle was het stokpaardje van George Orwell. Al in 1945 publiceerde hij zijn legendarisch geworden Animal Farm, een grotesk-satirische allegorie over een boerderij waar de varkens het hebben overgenomen en een welzijnsstaat creëerden volgens hoger beschreven Stalinistische principes. Maar de wreedheid is nagenoeg afwezig: de propaganda en de indoctrinatie hebben de vrijheidsberoving en de fysieke liquidatie grotendeels overbodig gemaakt. Iedereen is gelukkig omdat... het woord ongeluk gewoon is afgeschaft, meer moet dat niet zijn!

Orwell had vooral de Stalin-dictatuur voor ogen –in die zin was hij zelfs een pleitbezorger van de Koude Oorlog-, maar de eigenlijke visionaire dimensie van zijn distopische roman reikte verder: hij zag al de “perfecte democratie” opdoemen, waar macht en semantiek (de betekenis die aan woorden wordt toegekend) samenvallen.

Het systeem dat vandaag spreekwoordelijk als “Orwelliaans” wordt gekarakteriseerd, drijft voornamelijk op taalmanipulatie en semantische verwarring, met de communicatiewetenschap als sleuteldiscipline. Zowel de simplifiërende on-liner als het omgekeerde, de quasi-onbegrijpelijke woordenbrij, behoren tot het retorisch arsenaal van de macht.

De moderne macht is niet meer repressief, ze grijpt in op het niveau van de taal, de betekenissen, de tekst.

In een weinig bekend essay van 1946, getiteld “Politics an the English Language”, doet George Orwell die newspeak haarfijn uit de doeken. Macht berust op verwarring en ondoorzichtigheid, en daartoe moeten er verbale mistgordijnen geschapen worden.

Zowel systemen als individuen ontlenen hun autoriteit aan een complex taalgebruik, een groteske overdaad aan woorden, frasen, alinea’s en voetnoten, die op de duur alleen nog naar elkaar verwijzen. Het euvel komt voor bij wetenschappers, technici, kunstenaars, en zeker ook politici. Er ontstaan dan kasten van specialisten die elkaar afschermen via een jargon dat zogezegd noodzakelijk is om ingewikkelde knopen te ontwarren, terwijl ze de knopen juist nog dikker maken. ( meer hierover: Eilanden van gezond verstand). Woorden worden gecreëerd, gecombineerd, gedumpt, helemaal conform hun inwerking op de publieke opinie. Met de media uiteraard als noodzakelijke sluis, en het academisch-cultureel establishment als aangever.

De moderne macht is niet meer repressief, ze grijpt in op het niveau van de taal, de betekenissen, de tekst. Ze organiseert de democratie en de publieke opinie op zo’n manier, dat de free speech alleen nog een variatie is op de legitieme thema’s, in een vast verbaal stramien. Alles wat daar buiten valt, wordt gekwalificeerd als ongeoorloofd, nefast, grof, extreem.

Ik moest dan ook voortdurend aan Orwell denken, toen steden zoals Amsterdam in Nederland, en Gent in België, aankondigden dat ze het woord “allochtoon” zouden schrappen. Verre van dit met het Rode Khmer-regime te willen vergelijken, stelt men toch vast dat hier een gelijkaardig politiek-correct voluntarisme aan het werk is: het idee dat problemen zich oplossen door de taal te fatsoeneren. Terwijl het net andersom is: de taal is een weerspiegeling van de sociale realiteit, die niet homogeen is, maar heterogeen en conflictueus.

De volkstaal is steeds ad rem: als het woord “allochtoon” bestaat en gebruikt wordt, is er ook een reden toe. Helemaal Darwiniaans, zou ik stellen dat in het organische maatschappelijk weefsel nutteloze en irrelevante termen een zachte dood sterven. En woorden die overleven, wijzen op dingen die bestaan. Maar zo zien ze het in Gent en Amsterdam dus niet: de feitelijke censuur op het woord “allochtoon” creëert zwarte gaten in de publieke sfeer. Want de samenlevingsproblemen zijn er natuurlijk wel,- hun onbenoembaarheid vergroot hen zelfs nog.

De ontkenningsstrategie die erachter schuilt is perfide en lachwekkend tegelijk. Ooit stelde Steve Stevaert, nu actief als havenbaas in Vietnam, voor om de term “Vlaams Belang” niet meer uit te spreken, en enkel nog de afkorting “VB” te gebruiken (wat dan evengoed op “Vuile Bruinzakken” kon slaan). Daarmee zou het probleem volgens hem wel van de baan geraken. Ongeveer diezelfde tijd beantwoordde Prof. Etienne Vermeersch in de media elke vraag over die partij met een lakoniek “Wie?”, in dezelfde optimistische veronderstelling.

De feitelijke censuur op het woord “allochtoon” creëert zwarte gaten in de publieke sfeer. Want de samenlevingsproblemen zijn er natuurlijk wel,- hun onbenoembaarheid vergroot hen zelfs nog.

Dit taalkundig proberen te overrulen van de realiteit is typerend voor een maakbaarheidsideologie die au fond niet geïnteresseerd is in het werkelijke maatschappelijke spanningsveld: in het kader van een permanente goed-nieuws-show wordt de realiteit geregisseerd en gefilterd,- iets waar de media overigens voluit aan meedoen. De quasi-ethische omlijsting van het woordverbod (“onzuiver taalgebruik” wordt meteen ook “immoreel taalgebruik”) is kenmerkend voor een bovenbouw die wanhopig op zoek is naar legitimatie: Gent en Amsterdam, redders van het correcte Nederlands, en hoeders van de beschaving!

Op zich totaal betekenisloos geworden stoplappen als “racistisch” en “(on)democratisch” fungeren als sleutelwoorden in deze epuratie, die ver voorbij de strikt politieke sfeer gaat. De manier bv. hoe kreupelen, steeds vanuit de bemoeizucht van de sociale sector, invaliden werden, dan gehandicapten, daarna mindervaliden, nog later andersvaliden, om voorlopig te eindigen als personen-met-een-beperking,- is tekenend voor de fascinatie van de socio-politieke sector voor labelling en semantische inkapseling.

We denken ook aan de systematische kruistocht van de reguliere media die afgeven op het “racistische”, “vunzige”, “barbaarse” taalgebruik op het internet, en de filters die worden toegepast op de eigen publieksfora. Op die manier proberen de elites taalkundig greep te krijgen op de massa, via een progressief-ethisch alibi. De missionarishouding dus. Het is nog maar een kwestie van tijd, voor ze bij de UNESCO er achter komen wat de term “voil Janet” precies betekent, en dan krijgt het Aalsters carnaval zijn genadeslag...

Conclusie? De overheid moet zich niet moeien met taalkundige epuratie. Als ze de treinen op tijd laat rijden en sneeuw ruimt ben ik al heel tevreden. Taal is iets levend, en baart constant nieuw materiaal dat van onderuit ontstaat. Elk jaar neemt de Dikke Van Dale zo’n 1500 woorden op die tot de omgangstaal zijn gaan behoren. Het zijn woorden die soms door individuen worden verzonnen, schrijvers of journalisten, maar dikwijls ook uit de volksverbeelding zelf voortkomen. Vooral de jeugd- en jongerentaal is een vruchtbare bron, denk aan het tentensletje van de editie 2010.

De etymologie is dikwijls complex en verrassend, het gebruik onorthodox. Zo is het woord “bougnoul” van oorsprong een Arabische term die “neger” betekent. Toen een brave borst recent meende dat het woord “makak” mocht geschrapt worden, wees leraar Peter de Roover er fijntjes op dat dit woord vrijwel enkel nog gebruikt wordt... als scheldwoord door Marokkaanse allochtonen onderling. Ook het woord “neger” is in onbruik geraakt. Het woord boerka maakt in de volksmond dan weer opgang als vuilzak voor gemengd huishoudelijk afval. Verbieden?

In essentie loopt het woordenboek dus steeds de feiten achterna. Dat kan ook niet anders: de officiële taal, het AN, is maar een schaduw van de levende taal. Maar de Orwelliaanse krachten in het bestel willen op de feiten vooroplopen en de maatschappij kneden via het plichtlexicon, het Groene of het Rode boekje, het geadministreerde discours.

De enige autonomie die mensen nog rest, en waar ze fanatiek aan moeten houden, is de vrijheid om hun woorden te kiezen, vanuit de onderbuik, niet alleen vanuit het hoofd.

Het verzet tegen die plichttaal is fundamenteel, en gelukkig springlevend. Om die reden maak ik me, zoals de lezer al heeft kunnen vaststellen, ook niet al te druk over de spellingregels, uitgedokterd door een clubje taalgeleerden ergens in den Haag. Nog veel minder maak ik me bezorgd over de door puristen zo gehate chat- en SMS-taal, of andere idiomen en tussentalen. Integendeel, ze vormen een vitaal tegengewicht voor de opgelegde new speak, de bureaucratische sluiers en het abrakadabra van de systeemtechnici.

Deze stille –en soms luidruchtige- strijd tussen spontane idiomen en cultuurtaal is, veel belangrijker dan de immer verwaterende politieke tegenstelling, dé conflictzone van de postmoderne democratie, waar alles draait rond demagogie en massamanipulatie.

De enige autonomie die mensen nog rest, en waar ze fanatiek aan moeten houden, is de vrijheid om hun woorden te kiezen, vanuit de onderbuik, niet alleen vanuit het hoofd. En er desnoods nieuwe te verzinnen als het vocabularium niet volstaat.

De schutting- en straattaal, samen met het kernproza dat op het internet floreert, vormt geen verbale restfractie maar, integendeel, de stamcellen van het spraakweefsel. In ons geval het Nederlands. Als containerbegrip, niet als standaard.

Daar kan de Gentse burgemeester Termont, goede leerling van Stevaert, niets aan veranderen. Gelukkig maar.

 

***

 
 
 
.

 

***

(Get) AA 3AB, strijder-schrijver op rust van blog-bubbels. Hij observeert de wriemelende mensenmassa’s en licht op klaarlichte dag het gebeuren bij met een stal-lantaarn. Want hij heeft niet graag dat Breedsmoel-kikkers in zijn zonlicht komen staan.

“Ut mien zunne, of ‘k straal joe, zei de bie”.
 

 

 

Geen opmerkingen: